Diversen

Tuinieren in Calabrië sept. 2011

Over  boelebakken en gifgroene tuinvingers in een banden en versnellingsbakken park.

Het is 20 september. Vandaag zowaar regen. Een tijd lang heb ik onder de veranda zitten kijken hoe de boelebakken op het wateroppervlak van de sierpotten met waterlelies en opgewonden zwemmende goudvisjes, uiteenspatten. Wat een ervaring! Na wekenlang constant 25 tot 35 graden op je lijf. Een verfrissende regenbui, en geen spatje hemelwater.  Nu is het raak. Knallende, knetterende donderslagen. Donar slingert hierboven heftig met vuurspattende hamerslagen wild in het rond. Een ouderwetse Nederlandse donderbui. Indrukwekkend. Lang duurt het hier nooit, maar is het eenmaal zover, ja dan ben je aan de beurt... 

Heimelijk had ik een paar planten al opgegeven. Het loof was bruin en leek niet meer te redden'. Dacht ik. Diep terugsnoeien was noodzakelijk om hun sutterich aanzien iets te verzachten in de stille hoop dat ze door deze drastische ingreep misschien toch nog terug zouden komen. 

Wishfull thinking?

 

Inmiddels is het ruim een week later, bijna oktober en verdorie, je gelooft het nauwelijks, aan de ‘opgegeven’ planten zag ik vanmorgen in enkele oksels groene spruitjes. Geweldig! Nu vraagt u zich af: “Man, waarom geef je die planten geen water, ze schreeuwen er om en toch laat je ze kwijnen? Schande".

U hebt gelijk! In de loop der jaren echter, heb ik geleerd dat de meeste soorten die goed zijn doorworteld en diep in de grond hun vocht uit de aarde zuigen, een stootje kunnen verdragen. Ga je ze te vroeg met sloten water verwennen, worden ze lui en doen nauwelijks moeite dieper naar water te zoeken. De potkluit blijft ronddraaien. Het wordt niks.
Met planten in grote sierpotten/kuipen is het een ander verhaal. Die krijgen om de dag vocht en niet zo’n beetje ook. Dit jaar heb ik een water-geef-systeem aangelegd dat om de dag via vijf zones de hele voortuin automatisch beregent. Vorige maand toen het erg warm was ging ik ‘s morgens vroeg het bed uit om te horen hoe het koele water over de planten ritselt. Wat een wereld van verschil. In Nederland iedere dag regen, hier in Ricadi iedere dag volop zomer.

De achtertuin is uitsluitend beplant met mediterrane gewassen, waaronder veel cactusachtige- en vetplanten, en planten met leerachtige bladeren die het vocht lange tijd kunnen vast houden. Die redden zich zelf wel. Hoewel ik vreesde voor de bossen rozemarijn die als heg om ons terrein zijn geplant. Weliswaar geen vetplant, wel een plant die enorme droogte kan verdragen. De topjes begonnen lelijk van brons naar oker te verkleuren. Geen fraai gezicht. Zolang echter de blaadjes niet van de steeltjes afvielen, was ik niet bang voor noodlottige gevolgen. Nu, na een aantal dagen van uitbundige regenval, staan ze er weer prachtig voor. Met opkomende maan(ik hoor mijn maat Gerrit grinneken) worden ze drastisch gesnoeid, een beetje in ‘topiaire’ vormen. Dik, dun, hoog, laag, bol, puntig enz. Rechte vormen passen niet zo goed bij onze ruige omgeving op de heuvel, helemaal niet bij die vreemde kronkels die mijn geesteswereld bepalen. 

Van de mooiste topjes wordt stek gesneden die in polystyrol bakjes worden gepot in een mengsel van potgrond en scherp zand. Ze komen op een vochtig plekje te staan onder een citroenboom waar ze zich in de herfst en winter moeten redden. In maart als we weer in Ricadi zijn, is de eerste gang naar de stekbakken. Ieder jaar verbaasd me steeds weer dat meer dan 90% van de gestekte topjes prima aan de wortel is. Werk aan de winkel om ze op open plekjes uit te planten. Kijk, dit zeg ik nu wel, ‘open plekjes’, maar het zal echt zoeken zijn geblazen om in de tuin een open plekje te vinden. Ieder stukje aarde is haast bezet. 

“Man, waar heb je het over, ‘open plekjes...”

Dit jaar heb ik geëxperimenteerd met zaaien van eenjarige planten. Dat is lang geleden. Zinnia’s in vier soorten en Leeuwenbekjes in gemengde kleuren.

 

Lage Leeuwenbekjes zijn in Calabrië overigens vaste planten. Na het zaaien kon er na enkele weken driftig verspeend worden om ze later een definitief plekje in de tuin te geven. Zinnia’s zijn hier geweldige planten; leeuwenbekjes niet minder. Beide soorten kunnen behoorlijk warmte verdragen. Ik had ze gezien bij de fiatgarage in Ricadi, toen de elfjarige fiatkoets aan twee nieuwe banden toe was.

De moeder van de monteurs - de hele familie woont boven, naast en achter de garage - heeft ‘gifgroene’ vingers. Alles wat ze aanraakt, schijnt te groeien en te bloeien. Tenminste als je Pasquale mag geloven, de jongste van de beide zoons die samen het bedrijf runnen. 

 

Als de auto klaar is, en een van de zoons hem bij me thuis brengt en ik hem vervolgens naar de garage terugrijd, hoop ik vurig dat de ‘groene vingers’ ergens op de knibbels in haar plantendomein rondstruint. 

Ik had haar nog nooit ontmoet. Onlangs was het raak. Naar de joekels van cactusbloemen te oordelen - om slechts een voorbeeld te noemen - moest het wel een bijzondere liefhebster van zeldzame gewassen zijn. Ik dacht: ‘Valentino, kat in ‘t bakje'. Al meer dan acht jaar ben ik bij hen klant, nog nooit heb ik haar ontmoet, het wemelt van de botanische kleinoodjes..., alle reden om aan junior te vragen of ik eens met zijn moeder over haar plantenwereld mocht praten. Hij hoefde het alleen maar voor te bereiden. De rest regelde ik zelf wel.

Hoe ik dit allemaal wist, dat zij zoveel aan (planten)schoons bezat? Plantengekken hebben hun ogen niet in de buuse sitten. 

Bovendien hebben die ogen, oog voor planten schoons zo als het gros van de KMTP-ers een zeer speciaal zintuig ontwikkeld, een soort hebberig gevoel, zo eentje dat vingers doen tintelen... 

Elke keer als ik junior bij hun garage had laten uitstappen, kon ik niet nalaten hem te vragen of ik tussen de rondslingerende versnellingsbakken, een bandenberg en wat autowrakken een kijkje in het domein van moeders mocht nemen. 

 "Ho, lieve lezers, denk nu niet direct aan die tintelende vingers...

Over een zeer bijzonder kleurtje in een olieblik, zei ik niets...

De adem stokte in m’n keel. Jemineetje, hoe komt dat mens aan zoiets. Ik deed mijn handen uit voorzorg in de zakken van m’n short.

Dichterbij gekomen bleek het een soort Aloë te zijn, die klimmende trekjes had. Voor mij iets totaal nieuws. Ik moest vooroverbuigen om dit plantje te voelen, gewoon aanraken was genoeg. Daar schuilt toch geen kwaad in? 

Achter de banden & versnellingsbakken had ik het  niet meer. Wat een keur van planten stond hier in emaille schaaltjes, kruiken, 5liter-tomatenblikken, pastavergieten en ontoorde pannen. Ongelooflijk! Wat een assortiment had ze en wat een bijzondere mens moest dit wel zijn om haar afgedankte inboedel vol te stoppen met botanische rariteiten om die uit te stallen in het banden-en versnellingsbakkenpark achter haar huis. 

Opgewonden als ik was opende ik het niet meer krakende portier. Dat ergerde hem kennelijk ook... 

“Pasquale”, zei ik nogmaals met klem, “niet vergeten tegen je moeder te zeggen dat ik graag plantjes met haar wil ruilen”. 

Het was een stapje te ver om nu al te vragen of ik haar eens mocht ophalen om onze tuin te komen bekijken en haar stekjes aan te bieden in ruil voor die ene van haar. 

De motor sprong aan om hun erf te verlaten. Opgewekt reed ik door de poort met een beeld voor ogen van ‘la signora’ die te meten naar plantenkeus een heel bijzonder en apart mens moest zijn. 

De auto bracht me veilig naar de eigen stek - Petto Bianco (blanke borst, letterlijk vertaald) - nauwelijks een kilometer buiten het dorpje Ricadi, waar de Fiat aan een controlebeurt moest worden onderworpen. 

Een druk op het knopje van de remote control deed het hek open gaan. Links en rechts van het pad genoot ik van de in schitterende kleuren over de keermuur hangende, rijk bloeiende vetplanten en uitbundige bossen andere soorten langs de entree.

 

Iets dichter bij huis de rijkbloeiende Amaryllisbollen. Stuk voor stuk kleinoodjes, pareltjes...

De IKEA-tas aan de linker-, die van Action aan de rechterhand bungelend, volgeladen met noodzakelijke supermarktboodschappen voor een half weeshuis, zette ik het vrachtje voor de keukendeur om nog een vlugge blik te werpen op de nieuw gemaakte stekken of hun topjes nog slap hingen. Alles onder controle.

Net binnen... rrring, de telefoon.

“Signor professore?”, schalde het uit mijn mobieltje. 

Wat een hinderlijke stem dacht ik, de telefoon een halve meter van het oor houdende. “Si signora, sono io”, schreeuwde ik beleefd terug en vroeg wat het krijsende vrouwspersoon aan de andere kant van me wilde. 

“Je was net bij mijn zoon in de garage en ik hoorde dat je pianti olandesi voor me had. Je was net weg, ben achter je aangereden en sta voor een dicht blauw hek...”

Even was het stil, kennelijk door het bewuste Umdenken. 

Wie dat kon zijn.

Ik had zo gauw niet door dat het die mevrouw van de bijzondere planten zou zijn. Haar stemgeluid en het directe taalgebruik bij haar belboodschap, was een totale desillusie die ik te verwerken kreeg. Mijn voorstelling van haar als tuinliefhebster was een heel andere. Het warme, sympathieke gevoel voor die in mijn gedachten, had een onherstelbare deuk opgelopen.

Of ze nu mocht komen, schalde het door de tuin, niet beseffende dat ze pal achter me heeft moeten rijden om nu al voor het hek te kunnen staan ‘oalen’.

 

Was zij het, de vermeende ‘Signora’ met de gifgroene tuinvingers uit het banden- en versnellingsbakkenpark?

Verdorie, dacht ik, die laat er geen gras over groeien... En wat kun je je enorm vergissen in de voorstelling van een mens uit je fantasiewereld.

Op naar de auto om de remote control te pakken.

Druk op de knop.

Hobbelde er na korte tijd een bedeukt,‘100 jarig’ Fiatje langs de hanggeraniums, de vetplanten, de Amaryllissen, en kwam tot stilstand pal achter dat ouwe Fiat-ding van mij.

Boordevol beladen met allerhande tuinattributen, kistjes, lege carterolieblikken, stokken en palen, raffia, emmers groente en fruit, emaille pastavergieten en steelloze steelpannen. 

Het leek wel een ‘ghostmobil’. Nergens zag ik iets levends dat het vehikel hier naartoe had gestuurd. Na geruime tijd geschommel, een puffende kreet, gedraai, gesjoemel en geklooi werd krakend een roestig portier open geduwd en zag ik eerst een zonverbrand been met een sandaal er aan, behoedzaam vaste grond zoekend om de rest van wat er bij hoorde uit het koekblikje te manoevreren.

Rustig wachtte ik af tot het totaalbeeld van nauwelijks 1.40m hoogte in volle proporties voor me stond en mijn hand haar benige, manlijk vereelte kon omsluiten.

Ik voelde me een bijrol toebedeeld in een Harry Potterfilm. Ik volgde haar, hoefde alleen maar te luisteren, zij was de 'leading diva'.

Nou ja, dacht ik, het zal wel zo zijn, ik buk wel achter haar aan... 

Ze wist me precies te vertellen wat er allemaal in dit tuingedeelte stond en wat er moest gebeuren. De meeste namen kende ze, al verstond ik er geen lor van. Ze sprak geen woord Italiaans. Alleen maar Calabrees. Een dialect waar ik na bijna acht jaar nog nauwelijks een touw aan vast kan knopen. Ze ratelde maar door, druk gesticulerend en commentaar gevend op de citroenbomen, de vijgen, druiven, olijven en andere fruitbomen. Tenminste dat vermoedde ik. ‘Dat er niets van deugde begreep ik ook, omdat ze niet waren gesnoeid’. Met knippende vingers en een afwijzend  polsgebaar haar wijsvingertje driftig heen en weer slingerend, trachtte ze dit item duidelijk te maken. 

Opm: Het was een kennis geweest die me er al op had gewezen dat de bomen gesnoeid moesten worden; een pittig stuk werk waarmee in de lente 2012 een begin zal worden gemaakt.

 

Eenmaal in de binnentuin, werd haar dominante, provo- en docerende houding anders. Ze werd iets rustiger door het zien van de berg planten, uit Olanda verzameld, die ze niet kende.  

Misschien ook stil door het schokeffect, dat hier geen verroeste carterolieblikken, afgedankte potten en pannen te zien waren maar decoraties zoals wij die in Nederland plegen toe te passen, zag ik dat er opnieuw lucht in dat nietige minilijfje gepompt werd om haar ‘berlusconesk’ gekwetter voort te zetten.

Met de hand maakte ik een soort stopbeweging en zei in het Nederlands met stemverheffing: “Ho Uk, zwijg stil, gij snoodaard..., nu is het mijn beurt”. Ze snapte dit verbale geweld wel niet, maar wist wel dat ik iets wilde zeggen. Ze zag omhoog en hield haar mond. Zoals een ouderwetse schoolmeester betaamt, keek ik naar beneden de diepte in en vertelde haar het een en ander over de pianti olandesi. 

“Het is nu niet de tijd om ze te stekken”, probeerde ik haar in het Italiaans te zeggen. 

"Met alle plezier geef ik u een stek van het een en ander”, verzekerde ik haar. 

“Oktober is hiervoor de beste maand. En bij volle maan”.

‘Uk’ snapte er niets van. Ze stapte rustig door nog steeds vooroplopend, ik er achter aan. 

Ze had andere plannen, je zag het aan haar gezicht, de bewegingen, en de aanstalten om iets te ondernemen wat ik per se niet wilde.

Wat, kon ik niet bedenken.

Alles ging ook zo verhipte vlug.
Voor ik het wist stond ze likkebaardend voor een beplante sierpot, brak een prominente tak van de weinig voorkomende Tibouchina semidecandra af.

Ik had het niet meer. Dit kan toch niet waar zijn?

Twee jaar verzorging, troetelen, snoeien, aandacht besteden aan iets waar je onwijs wijs mee bent.
Ja, zij had de 'gewone' T. urvilleana. Die heeft iedereen als het om een Tibouchina gaat. 

“Maar deze heb ik niet”.

“No, no, non in questo periodo”, tetterde ik ‘Uk’ nog in het oor, maar het was te laat. 

Ze was me te vlug af. 
Een flitsende graai, een draai en een ruk en daar stond ze met een stek. 

Watte? 

Een halve heester had ze in de hand die absoluut tot sterven gedoemd zou zijn. 
Een groot gat gaapte in een van de mooist beplante potten. 
Het hele verband was er uit. 
Net als een prachtig opgemaakt bloemstuk waar je de kern uit haalt. 

Geen gezicht!

Een je wilt het geloven of niet, ze flikte het nog twee keer om van een andere heester nog zo’n homp af te breken en zaad te plukken van een gekruiste leeuwenbeksoort.

 

Ik kon die trol wel planten. Ze zien het gewoon niet, het interesseert hen niet, het gaat alleen om het hebben, en wat kan hun ‘t schelen hoe de plant in z’n totaal er daarna uitziet.

Typisch Calabrees trekje, waar ik nooit aan zal wennen.

Wat mag ik graag over planten praten met mensen die er van genieten, er verstand en respect voor hebben. Iedereen die geïnteresseerd is kan van elke plant een stek krijgen, mits het op het juiste tijdstip gebeurt en met beleid. ‘Amputaties’ zoals ‘Uk’ het flikte, van je mooiste soorten nog wel, doen mij de boom in vliegen. Het zotte is, dat Calabresi het de gewoonste zaak van de wereld vinden. Ik draaide het gas in m’n geest een paar pitjes lager, bleef beleefd, groette vriendelijk en ‘Uk’ verdween richting haar blik.

Zonder een minuscuul bedankje.
Zelfs geen vriendelijk lachje.
Een hand vol bungelende stekken, ik een illusie armer.
Ze draaide de auto.
Gekraak.
Het wrong zich er weer uit.

Valentino in alle staten. 

Oh jeetje, dacht ik, ze heeft toch niet toevallig nog een zogenaamde ‘Signora Buuf’ of een achternicht met ook gifgroene vingers..?

Het viel mee.

Kordaat liep ze naar de achterkant van haar Fiatje, ‘knoopte’ opnieuw het touw los waarmee de achterklep was vastgemaakt, scheurde ergens onder een van de stoelen een kistje met overrijpe, super geurende abrikozen vandaan, een vergiet met cetrioli (soort kleine komkommertjes), een 2 litersblik met aardbeien. Ze bond de ‘achterklephandel’ weer bijeen groette me nu wel vriendelijk naar de citrusbomen wijzend, een berg verse heerlijkheden van haar campagna achterlatend.

Dit als teken van dank dat ze tevreden was. De campagna, haar moestuin op het land, waar ze dagelijks alle groenten verzorgt voor haar kinderen en kindskinderen.

Mijn stekjes heeft ze, die van haar pik ik lente 2012 wel.

Ik weet nu hoe het moet...

Valentino Selva

valentinoselva@yahoo.com

 

 

 

meer
17
Sep
Plumeria: een kostbaar bezit - Blik op de Tuin no. 919
11
Sep
TOMATENOOGST